Wijsheid uit de Bergrede

In de Bergrede roept Jezus ons op onze vijanden lief te hebben en te bidden voor wie ons vervolgen: een radicale oproep die tegen de menselijke aard ingaat. Deze vorm van liefde is zelden in de mode geweest. Al tweeduizend jaar worstelen we ermee, tot op de dag van vandaag.

Het lijkt tegenwoordig wel of we steeds bozer worden. Je telt pas mee als je je verontwaardiging luidkeels tentoonspreidt. Boos op Israël, boos op het kabinet, boos op de NAVO, boos op alles wat de aarde ⎯ bedoeld of onbedoeld ⎯ warmer maakt. Wie niet luid protesteert, kijkt weg of is medeplichtig, wat weer tot extra boosheid leidt.

Ik ben niet goed in boosheid. Nooit geweest. Rood van woede worden lukt me niet. Rode pleinen, rode revoluties, rode lijnen en rode demonstraties stoten me af. Ik wantrouw de massa, altijd al gedaan. Ik maak het liever gezellig. Verder reikt mijn maakbaarheidsgeloof niet.

In dit klimaat van boze burgers, demonstraties en hysterische politici voel ik me steeds meer een vreemde. Instituties verliezen mijn vertrouwen. Ik vervreemd van mijn kerk. Ik mijd het activistische nieuws, pak de Bijbel er vaker bij en tuur naar de sterren. Wat is het leven toch een vreemde vergissing, denk ik dan. Hoe zijn we hier beland?

 

Eendimensionale woede

Een vriendin stuurde me laatst een bericht dat het treffend samenvatte: ‘Alleen wie boos is, lijkt nog geloofwaardig. Maar die vereenzelviging met pijn en verontwaardiging maakt ons kleiner.’ Ze heeft gelijk. Die eendimensionale woede reduceert ons, zet ons klem in een hoek terwijl ik juist naar ruimte zoek. Die ruimte is geen kwestie van het scanderen van harde waarheden. Het is een innerlijke afstemming op een uitgestoken hand van gene zijde. Want ik geloof dat we het van het onverwachte moeten hebben. Niet dat ik de illusie koester dat alles goed komt – want dat doet het niet. Het leven is vol risico’s en rampen, en de porties geluk en verdriet zijn ongelijk verdeeld. Waarom weet ik ook niet. Maar de hoop geef ik niet op. Om, zelfs in de diepste duisternis, te blijven zoeken naar licht dat doorbreekt. En in de Bergrede wijst Jezus op het licht van de liefde. Dat is niet alleen de roes van verliefdheid of de band met je dierbaren – hoe kostbaar ook. Liefde, zoals Jezus erover spreekt in de Bergrede, is de opdracht om je hart zo wijd te maken dat het zelfs je vijanden omvat.

‘Ik geloof dat we

het moeten hebben

van het onverwachte’

Jezus zegt in de Bergrede ook: ‘Jullie zijn het licht van de wereld.’ Dat licht schijnt niet, denk ik, door bozig te veroordelen, maar door te erkennen dat ook degenen die je verafschuwt ⎯ juist zij ⎯ je redding kúnnen zijn. Het ultieme voorbeeld daarvan is het alom bekende verhaal van de barmhartige Samaritaan. De gewonde man langs de weg verwachtte namelijk geen hulp van zijn vijand, de Samaritaan. En toch was de barmhartigheid van de Samaritaan het onvermoede licht voor de gewonde man, op die weg van Jeruzalem naar Jericho.

Wat leert dit alles me? Allereerst dat je je gekwetstheid en wonden niet het laatste woord moet geven. Laat ook de illusie los dat jij zelf de barmhartige Samaritaan bent. Jezus deelde zijn wijsheid niet om het ego te strelen of politieke keuzes te rechtvaardigen. Het licht waarover Jezus spreekt, is geen schijnwerper op jouw goedheid noch is dat licht jouw eigendom.

Zoek het licht wel, soms amper zichtbaar in de chaos van het leven. Voor wie het nodig heeft, is dat broze schijnsel van levensbelang. Daarom een waarschuwing in deze tijd van boosheid: pas op. Woede verblindt, en dan mis je het licht – voor een ander én voor jezelf.

 

Tom Mikkers

Bij de afbeelding: Liefde, zoals Jezus erover spreekt in de Bergrede, is de opdracht om je hart zo wijd te maken.