Woorden geven aan het onmogelijke – dat de dood gedood zou kunnen worden.
Een van mijn leermeesters zei eens dat er rond Pasen te veel ‘halleluja’ gezongen wordt. Ik weet nog hoe mijn leerlingen van groep acht op de basisschool lacherig werden als we het lied ‘Christus, onze Heer, verrees’ zongen. Iedere regel eindigt met een langgerekt ‘ha-ha-ha-ha-ha-ha-le-he-lu-hu-ja’. In de Bijbel klinken de vele halleluja’s voor de troon, bij de Opgestane aan Gods rechterhand. In het Paasevangelie, verteld door de evangelisten, is er ongeloof, vrees en verbijstering. Marcus vertelt zelfs dat de discipelen er onder elkaar over discussieerden wat ‘opstanding uit de dood’ nu toch wel mocht betekenen. Kortom, het verhaal van de opstanding is on-denk-baar. Ik weet uit ervaring dat het mensen tot troost is die een beminde verloren. Maar niet iedereen troost je ermee. Voor velen is de gedachte onverdraaglijk dat een partner of naaste is uitgewist. Op beelden uit Iran zagen we gedode demonstranten langs de straten liggen – stonden zij maar op! En wie herinnert zich niet dat verdronken jongetje op het strand langs de zee? Alsjeblieft geen halleluja’s op zulke plekken.

Maar als het nu waar is dat het leven sterker is dan de dood? Als het protest en de liefde en de hoop niet ondergeschoffeld kunnen worden? Als… ja wat dan? Dan heeft opstand alles met opstanding te maken. De opstand tegen tirannie is niet zinloos. Verdriet en boosheid op God mogen bestaan, want opstand(ing) is vrucht van het ongerijmde vermoeden dat het leven wint.

In El Salvador werd op 24 maart 1980 tijdens de mis bisschop Romero doodgeschoten. In een land waar, zoals iemand toen schreef, de doden met de dag opstandiger werden. Romero sloot zich, met Jezus, aan bij de opstandelingen. Hun dag komt, kome wat komt! Daarom ingetogen halleluja’s.

Rob van Essen