IN – DRUK
Mevrouw Huygen belichaamde voor mij de woorden van Remco Campert: ‘Verzet begint niet met grote woorden.’ Bij haar voordeur kwam ze, af en toe steun zoekend, net terug van de supermarkt waar ze brood en vlees gehaald had. Boven gekomen luisterde ik geboeid naar haar verhaal.
De negentig gepasseerd droeg ze een broche met daarin een fotootje van haar vader en moeder. Haar moeder werd zesenveertig – zij was toen tien – en staat in klederdracht op de foto. Een zilveren beugel met links en rechts op het voorhoofd twee gouden boeken en een wit kapje over het hoofd. Na de dood van moeder moest de oudste zus, die in betrekking was, thuiskomen. Zelf moest ze ’s morgens om half vijf met haar vader naar het land. Aardappelen poten en rooien. Op haar dertiende ging ze op een boerderij in betrekking, voor één gulden per week. Om half vier opstaan. De knechts waren al naar de zestig koeien om die te melken. Zij moest het paard uit de wei halen – in het donker hoorde ze het voetkluister – en in de karnmolen spannen. Na afloop kreeg het paard een boterham met suiker. Dan met de bovenmeid naar de kelder, waar de blikken afgeroomde melk stonden waarvan kaas werd gemaakt. Samen tilden ze die. Ook moest ze met een juk zo’n zes emmers water uit de pomp halen. Steeds een loopje om de hooiberg heen; met dat water werd de boter gewassen.

Daarna ging ze naar Amsterdam ‘in betrekking’, voor twee gulden vijftig per week. In 1914, na het uitbreken van de wereldoorlog, gevolgd door duizenden Belgische vluchtelingen, braken er magere tijden aan. Haar werkgeefster zei: ‘Ik heb geen geld meer voor je, maar ik zal je vijftig cent zakgeld geven.’ Haar oudere zus zei: ‘Dat gaat niet door. Ze werkt niet voor niets.’ Toen kwam ze op de Franselaan (nu Henri Polaklaan), waar ze haar man leerde kennen, wat toen nog ‘onschuldig’ was. Op Wittenburg werkte ze kort in een bakkerij, om daarna negen jaar in dienst te zijn bij het Joodse echtpaar Locher.
Tijdens de Duitse bezetting vroegen de Lochers of ze bij haar mochten onderduiken. Dat werden spannende jaren in de kleine, Amsterdamse bovenwoning, waar ze inmiddels met haar man woonde. De verhoudingen omgekeerd! De werkgeefster was nu afhankelijk van haar werkster. De onderduikers mochten geen geluid maken als de Huygens niet thuis waren. Nooit voor de ramen komen, jarenlang een onzichtbaar bestaan. En dat alles zonder einddatum.
In die jaren beviel mevrouw Locher van een zoontje en was mevrouw Huygen de kraamverzorgster. Tot op de dag dat ik haar ontmoette, kwam dat ‘jongetje’ nog op bezoek in de kleine woning waar hij het levenslicht zag en de bevrijding beleefde.
Was mevrouw Huygen niet gaan werken bij dat Joodse echtpaar, dan was haar niet gevraagd haar leven op het spel te zetten voor vervolgde mensen. Of misschien was ze tot dit verzetswerk in staat omdat haar zus in 1914 zei: ‘Ze werkt niet voor niets.’ Ze werd geen sloofje, maar een jonge vrouw die durfde kiezen in een tijd toen menigeen niet thuis gaf.
Rob van Essen
