Op de rem

Januari grijs en saai? Het kan juist een verademing zijn om na de vaak drukke decembermaand even tot rust te komen. Al lukt dat ons in deze tijd van prestatiedruk en versnelling vaak niet vanzelf.

‘Waarover wil je een zegen?’ vroeg ik haar. ‘Nou, gewoon over alles’, verzuchtte ze, ‘of, laat ik maar beginnen bij mijn gevecht om alle ballen in de lucht te houden. Want het gekke is, ik heb geen idee waarom of voor wie ik dat zou moeten doen en toch doe ik het – met moeite.’

Het was een avond in oktober, Museumnacht. Ook de Kloosterkerk was open. Wie wilde kon een zegen krijgen. Verbazingwekkend veel, vooral jonge, mensen wilden dat. Ook zij. Je voelde aan alles dat ze de hypernerveuze samenleving mee naar binnen nam, dat oude, door kaarsen verlichte kerkgebouw in, waar de tijd voor even stil leek te staan. Ooit was dat een doodzonde: stilstand. Tegenwoordig wordt er van overheidswege geadviseerd om te vertragen.

Prestatiedruk
De Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) bracht in het najaar een rapport uit: Op de rem! Voorbij de hypernerveuze samenleving. Het verhaalt van een samenleving waarin prestatiedruk, versnelling en individualisme de collectieve overhand hebben gekregen en de enkeling machteloos staat om daar iets aan te doen. Natuurlijk, overal staren de zelfhulpboeken je aan met hun dwingende suggestie: ‘Als je het wilt, dan kun je het ook!’ Maar het is nog maar de vraag of alle stappen om weerbaarder, sterker, meer mindful te worden, werken. Die oplossingen zijn immers deel van het probleem, want ze versterken het gevoel van individualisering. Je moet het zelf zien te rooien. De samenleving gaat het niet voor je doen. En voor je het weet herken je wel het probleem, maar wil je er ook – in lijn met de hypernerveuze tijdgeest – een snelle, liefst pijnloze oplossing voor. Zo draai je rond als een hamster in een looprad.

De RVS is sterk in zijn analyse, maar erkent ook open en eerlijk de oplossing niet te hebben. Laten we beginnen met vertragen is de denkrichting, met meer gemeenschappelijkheid, meer ontspanning. Ik begrijp het wel, maar het klinkt alsof je tegen een zieke zegt: de beste raad die ik je kan geven is ‘beter worden’. Zonder wegwijzers hoe dat moet, waar je begint, hangt dat advies in de lucht. Soms denk ik wel eens dat het denken in oplossingen zelf het probleem is geworden, die overheersende gedachte dat iedere vraag naar een antwoord moet leiden, elk probleem een oplossing vereist, iedere leegte onmiddellijk gevuld moet worden. Soms is er immers geen antwoord of oplossing. Dan komt het vooral aan op uithouden, geduld, volharding.

Opleuken
Sommige mensen zien op tegen die lange januarimaand. Vroeger of later komt natuurlijk ook de vraag hoe we die wat kunnen ‘opleuken’. Hoe we Blue Monday kunnen verslaan, hoe we de stilte kunnen trotseren, de grijze dagen lichter maken. Ik zeg niet dat dat niet goed is, laat staan niet zou mogen. Ik hoop alleen dat dat niet de enige denkrichting is. Dat januari niet alleen een probleem is, dat om een bij voorkeur instant-oplossing vraagt. Het kan immers ook een oefening in geduld zijn, of – wie weet – een kans tot verstilling en vertraging.

‘Soms is er

geen antwoord

of oplossing’

Gaat dat lukken? In oktober sloten we ons museumnachtgesprekje af met een zegen. Wonderlijk was het wat dat deed: een zegen is immers geen oplossing. De januarimaand wordt er niet korter, lichter, of leuker door en ze helpt ook niet om alle ballen in de lucht te houden. En toch ging ze anders weg uit de Kloosterkerk, terug de hypernerveuze samenleving in, maar wel – al was het maar voor even – deel uitmakend van een andere werkelijkheid.

Rienk Lanooy