Hemel en aarde
Door Gerrit de Groot
Gepubliceerd mei 2012, jaargang 15, nr. 146
In de joodse geschriften van het zogeheten Oude Testament (én Nieuwe Testament) zijn de woorden hemel en aarde niet van elkaar los te denken. Waar sprake is van de hemel, gaat het ook altijd over de aarde. Dat kan leiden tot de gedachte dat de combinatie ‘hemel en aarde' een wat gedateerde zegswijze zou zijn voor wat wij noemen ‘het heelal'.
De misverstanden die hieruit voortvloeien zijn talrijk. Als God de schepper zou zijn van het heelal, van àlles dus, dan heeft hij - om het maar wat zacht uit te drukken - nogal wat steken laten vallen. Onze wereld mag dan de beste zijn van alle werelden, maar onheil loert en gebeurt overal. En wie krijgt dan de schuld als er weer iets goed fout gaat? Juist. Díe God natuurlijk.
De joodse woordcombinatie hemel en aarde doelt op heel iets anders dan op het woord heelal. In Genesis 1, dat fantastische mythologische beeldverhaal over de schepping van hemel en aarde, is sprake van alomtegenwoordige wateren, als beeld van allesverwoestende krachten. En dan roept God een gewelf tevoorschijn - meestal wat vaag vertaald door ‘uitspansel' - dat die wateren uiteendrijft. Dat gewelf schept ruimte doordat het die verwoestende wateren tegenhoudt. En dat gewelf krijgt de naam ‘hemel'.
In deze joodse manier van spreken is het dus de hemel die als een oersterk dak boven je hoofd je beschermt tegen onherstelbaar onheil. Als in andere teksten gezegd wordt dat God in de hemel woont, dan betekent dat dus ook dat hij daar woont om de boosaardige buurman op afstand te houden.
De aarde - om nog even bij Genesis 1 te blijven - komt in dat eerste bijbelverhaal pas te voorschijn als de wateren die er ook nog ònder de hemel waren op één hoop ‘bijeenvergaderd' zijn. ‘Op één hoop jullie!' En aan het droge dat toen zichtbaar werd gaf God de naam ‘aarde'. En de bijeenvergaderde wateren gaf hij de naam ‘zeeën'.
De aarde is dus het van rampen bevrijde land. Want op de aarde moeten mensen veilig en in vrede met elkaar kunnen (samen)wonen. Het is dan ook niet toevallig dat hetzelfde Hebreeuwse woord voor ‘aarde' ook wordt gebruikt voor het land dat aan Abraham en zijn nageslacht werd beloofd en gegeven.
|
De hemel is er dus altijd voor de aarde. Voor de aarde waarop echt geleefd moet kunnen worden. Daarom zie je overal mensen aan het werk die de schepper-God weerspiegelen: de barmhartigen, de vredestichters, mensen van wie je op aan kunt, omdat zij gerechtigheid doen. Want niet overal (en zeker niet in het heelal) valt te leven. Daarom worden telkens die aloude joodse woorden herhaald, om ons daaraan te herinneren: ‘Onze hulp is van Hem-de-Ene, de schepper van hemel en aarde.'
En zo kon het gebeuren dat op een mooie pinksterdag joodse mensen zich erover verwonderden dat zij ook die Galilese mannen, die lieden uit dat heidense noorden, op een joodse manier (in hún tongen dus) hoorden vertellen dat de wereld ervoor bestemd is om aarde te worden waarop àlle mensen met elkaar zullen kunnen samenleven.
‘Zoals in de hemel, zo ook op de aarde.'
Dolf Tielkemeijer, predikant van de Thomaskerk, en emeritus-predikant Gerrit de Groot schrijven om beurten een aflevering van deze theologische rubriek. De titel is een knipoog naar het befaamde boek Bijbels ABC van K.H. Miskotte.






Sociale media
Follow @KerkDenHaag